Er zijn twee soorten gele plekken in een gazon. De ene trekt weg als je water geeft of bijmest. De andere wordt groter, en als je eraan trekt komt het gras los alsof iemand er een tapijt heeft neergelegd.
Die tweede variant heeft bijna altijd dezelfde oorzaak, en hij zit een paar centimeter onder de zode.
Bij droogte of een tekort aan voeding verkleurt gras, maar het blijft geworteld. Zit er iets in de bodem dat de wortels wegvreet, dan verdwijnt de verankering. De test is simpel: pak een pol bij de gele plek beet en trek zachtjes. Komt het gras zonder noemenswaardige weerstand los, dan is het wortelgestel weg.
Schuif de zode dan opzij en kijk naar de laag daaronder. Vind je vette, wittige larven van ongeveer twee tot drie centimeter, gekruld in een C-vorm, met een bruine kop en zes pootjes, dan heb je engerlingen. Dat zijn larven van kevers, onder meer van de mei-, juni- en rozenkever, die jarenlang in de grond kunnen zitten en zich voeden met graswortels.
Er is nog een aanwijzing die veel mensen eerder opvalt dan de gele plek zelf: merels, kraaien en soms dassen die je gazon systematisch omwoelen. Die vogels komen niet voor het gras. Ze komen voor wat eronder zit, en hun graafwerk is vaak de eerste zichtbare schade.
De meest gemaakte fout is de kale plek opnieuw inzaaien of een stuk graszode aanschaffen zonder de oorzaak aan te pakken. De larven zitten er nog, het nieuwe gras is jong en heeft fijne wortels, en binnen een paar weken ben je terug bij af.
Hetzelfde geldt voor extra mest. Een gazon dat geen functionerend wortelgestel heeft, kan de voeding niet opnemen. Je maakt het probleem dan niet kleiner, alleen duurder.
De meest gebruikte aanpak in Nederlandse tuinen is biologisch, met aaltjes. Dat zijn microscopisch kleine rondwormen die van nature in de bodem leven. Tegen engerlingen wordt de soort Heterorhabditis bacteriophora ingezet: die dringt de larve binnen via natuurlijke openingen en geeft daar bacteriën af waardoor de larve afsterft.
Het middel is niet giftig, je gazon is direct weer betreedbaar en er is geen wachttijd voor kinderen of huisdieren. Wie wil weten hoe de dosering in elkaar zit: leveranciers die gespecialiseerd zijn in Engerlingen bestrijden rekenen doorgaans met ongeveer tien miljoen aaltjes per twintig vierkante meter gazon, en met een hogere dosering bij een zware aantasting.
Biologische bestrijding werkt, maar alleen binnen vrij smalle randvoorwaarden. Drie daarvan bepalen vrijwel het hele resultaat.
Bodemtemperatuur. Voor deze soort wordt doorgaans minimaal 12 graden in de bodem aangehouden. Niet de luchttemperatuur op een mooie dag, maar de temperatuur van de grond zelf. Te vroeg in het seizoen uitzetten is weggegooid geld.
Licht. Aaltjes zijn gevoelig voor uv-straling. Uitzetten doe je in de vroege ochtend of de avond, of op een bewolkte dag, nooit in de volle zon.
Vocht. Aaltjes bewegen zich door de waterfilm tussen bodemdeeltjes. Droogt de toplaag uit, dan komen ze niet bij de larven. De bodem moet daarom minstens twee weken vochtig blijven, wat in een droge periode betekent dat je zelf moet beregenen.
In de praktijk komt het erop neer dat je de behandeling plant in plaats van improviseert. Meng de aaltjes in een emmer water, verdun tot ongeveer tien liter per tien vierkante meter en breng het gelijkmatig aan met een gieter met een brede broes.
Reken op twee tot drie weken voordat de larven zijn uitgeschakeld, en op aanzienlijk langer voordat het gazon er weer uitziet. De kale plekken moeten alsnog worden ingezaaid, en dat doe je pas als de oorzaak weg is.
Wie een groot deel van het gazon kwijt is, kan het moment aangrijpen om de ondergrond meteen aan te pakken: beluchten, verdichting opheffen en kiezen voor een graszaadmengsel dat past bij hoe intensief de tuin wordt gebruikt. Dat kost een seizoen, maar het is een stuk goedkoper dan elke zomer opnieuw plekken bijzaaien die het toch niet redden.