Bijna elke woning heeft er twee of drie: plekken die te smal zijn voor een echt meubel, maar te groot om leeg te laten.
Het stuk muur tussen de voordeur en de meterkast. De hoek naast de bank waar de vloerlamp niet meer bij kan. De wand in de slaapkamer waar een kast niet uit kan maar een plank te weinig is.
Een klein kastje is voor precies die plekken bedoeld. De kunst zit 'm er niet in het mooiste te kiezen, maar het model dat op die specifieke plek nog werkt als de deur opengaat en er iemand langsloopt.
Kleine kastjes lopen in de praktijk van ongeveer 48 tot 100 cm breed. Dat is een groot verschil op een smalle plek: een kastje van 60 cm past waar er voor 80 cm geen ruimte is, en dat merk je pas als het er staat.
Meet daarom drie dingen voordat je gaat kijken:
Bij kleine kastjes zoals die van Houtmijn zie je binnen die 48 tot 100 cm flink wat varianten, van ondiepe modellen voor de hal tot diepere kasten met deuren. Filter dus eerst op de maat die past en kijk daarna pas naar het model.
Hier wint ondiep het van alles. Een kastje van 30 cm diep laat meer gang over dan een van 40, en dat is in een smalle hal het verschil tussen langs elkaar kunnen lopen en niet. Denk ook aan de deur: draait de voordeur of een binnendeur over die plek open, dan bepaalt de deurbladbreedte hoe diep je kunt gaan. Functioneel is een blad dat je kunt gebruiken hier belangrijker dan opbergruimte; sleutels, post en een lamp belanden er toch.
Als richtlijn werkt een kastje dat ongeveer op armleuninghoogte uitkomt prettig: je kunt er vanuit de bank een glas op zetten. Hoger kan ook, maar dan wordt het meer een op zichzelf staand meubel dan een bijzettafel met opbergruimte. Kijk hier vooral naar of je nog bij de deurtjes of lades kunt zonder de bank te verschuiven.
Een kastje naast het bed werkt het best als het blad ongeveer gelijk ligt met de bovenkant van het matras. Ligt het lager, dan tast je naar je telefoon; ligt het veel hoger, dan kijk je er 's ochtends tegenaan. Matrassen verschillen fors in dikte, dus meet het echt na in plaats van uit te gaan van een standaardhoogte.
Hier heb je de meeste vrijheid, en dat is meteen de valkuil: een kastje dat nergens bij hoort, wordt de plek waar spullen belanden. Kies er een met een duidelijke functie (drank, spelletjes, kabels, kaarsen) en houd het daarbij.
Eén plek die er niet tussen staat: de badkamer of een onverwarmde bijkeuken. Massief hout is niet gemaakt voor aanhoudend vocht; dat trekt in de afwerking en op termijn in het hout zelf.
De categorie "klein kastje" dekt nogal uiteenlopende meubels. Kies op wat erin moet:
Voor de hal en naast de bank werken deurtjes meestal het best, simpelweg omdat dat de plekken zijn waar de rommel ontstaat.
Het blad wordt gebruikt. Elk klein kastje in een looproute krijgt binnen een week spullen op zich. Reken daar niet tegen, maar mee: zorg dat er iets op kan staan, en zet er zelf iets neer voordat de post die plek inneemt.
De deur van het kastje zelf. Een draaideur heeft ruimte nodig om open te gaan, en in een smalle hal of in een hoek loopt die zo tegen een muur of plint aan. Kijk naar de draairichting, en overweeg in krappe hoeken een model met lades in plaats van deuren.
In de praktijk tussen ongeveer 48 en 100 cm. Onder de 60 cm praat je over echt smalle modellen voor een hal of een nis; rond de 80 tot 100 cm krijg je iets dat ook als bijzetmeubel in de woonkamer staat.
Zo ondiep als je functioneel wegkomt. Moeten er alleen sleutels, post en een lamp op, dan is een smal model genoeg. Wil je jassen of schoenen kwijt, dan heb je meer diepte nodig, en dan is de vraag of de hal dat toelaat.
Prima, als de hoogte klopt met je matras. Veel kleine kastjes zijn iets hoger dan een klassiek nachtkastje, wat bij een dik matras juist goed uitpakt.
Vooral de breedte en de functie. Een dressoir is een laag, breed meubel dat een muur vult; een klein kastje vult juist de plekken die overblijven. Ook de diepte verschilt: kleine kastjes zijn vaak ondieper, precies omdat ze op krappe plekken staan. Is de plek breder dan ongeveer een meter, kijk dan eerder bij de dressoirs.